Historie


Het NIL in verleden, heden en toekomst.

Het Nederlands Instituut voor Lastechniek vierde in 2009 het 75-jarig bestaan. Hieronder volgt een betoog over het verleden, heden en de toekomst. In september 1984 publiceerde de heer A. J. Nooijens (†) in Lastechniek een uitvoerig en gedocumenteerd overzicht over het NIL. Henk Bodt maakt het overzicht compleet en actueel.
Van Leonardo da Vinci (1452 – 1519) is een publicatie bekend over een methode om platen lood met behulp van een kolenvuurtje aan elkaar te verbinden. Maar de eerste serieuze meldingen van dat wat later zou uitgroeien tot het autogeen lassen, komen uit Frankrijk. Daar ontwierp E. Debassayns de Richemont rond 1840 voorlopers van latere branders. We spraken toen over lucht-waterstofmengsels. De eerste toepassingen die worden beschreven, zouden we nu rangschikken onder solderen. Rond 1860 verschijnen de eerste publicaties over acetyleen, maar het duurde nog een paar jaar voordat het als stabiel gas uit calcium-carbide kon worden gewonnen.

 

Booglassen

Sinds 1865 was er een Engels patent toegewezen aan Wilde, op een zeer primitieve vorm van booglassen. Nikolai Bernardos (of Benardos) en Stanislav Olszewaski ontwikkelden een lasproces dat gebruik maakte van een elektrische boog met koolstofelektrodes. In 1886 werd hun ‘lasmachine’ in Rusland gepatenteerd, een jaar later in Amerika. In 1887 zien we de eerste branders ontstaan voor het werken met acetyleen–zuurstof (Thomas Fletcher). Rond 1890 vond de Amerikaan J. Coffin de afsmeltbare elektrode uit, maar het duurde nog tot 1907 voordat de Zweed Oscar Kjellberg de beklede elektrode ontwikkelde. De bekleding bestond uit carbonaten en silicaten en beschermde het smeltbad met een slaklaag.

 

Booglassen met beklede elektroden

Tussen 1909 en 1912 worden ontwikkelingen gemeld van de hand van de Engelsman A.P.Strohmenger. Hij ontwikkelde de beklede elektrode verder door te experimenteren met coatings van materialen als asbest, klei en kalk, om de boog beter te stabiliseren. Hij kreeg een United States-patent voor een elektrode met een bekleding die natriumsilicaat bevatte, die verontreiniging van het lasmetaal tegenging. De periode hierna wordt beheerst door de Eerste Wereldoorlog, waarin uiteraard grote vraag ontstond naar wapentuig. Alle industriële lastechnische ontwikkelingen werden daarop geconcentreerd. In 1915 wordt de eerste gelaste sleepboot gebouwd bij Astabula in Amerika, en in 1919 wordt de eerste toepassing van wisselstroom voor het booglassen gemeld.

 

MIG-lassen

In 1920 introduceerde P.O. Nobel het eerste geautomatiseerde lasproces, het MIG-lassen. Bij dit proces werd de spanning gebruikt om de draadsnelheid te reguleren. H.M. Hobart en P.K. Devers begonnen te experimenteren met een concentrische gascup, waar de lasdraad doorheen werd geleid. Dat was het begin van wat later – na 1948 – zou uitgroeien tot het MIG of MAG-lassen. In deze periode werden volgens de literatuur steeds meer verschillende materialen gelast en ontwikkelde men daarvoor de noodzakelijke lastoevoegmaterialen. Eveneens in 1920 word in het Verenigd Koninkrijk het eerste volledig gelaste schip te water gelaten: de Fulagar.

 

Nederlandse Acetyleen Vereniging

In 1922 wordt de Nederlandse Acetyleen Vereniging (NAV) opgericht. In 1925 werd het via een statutenwijziging mogelijk gemaakt ook het elektrisch lassen in de vereniging onder te brengen. Tot 1928 is het Orgaan voor Autogeen Lasschers het officiële orgaan van deze vereniging. In 1928 kreeg de vereniging een eigen tijdschrift: De Autogene en Electrische Smeltlasch. In 1923 geeft COCAM de eerste cursus lassen, die dertien middagen duurt (40 uur). Het resultaat: achttien theoretisch geschoolden die na een jaar praktijk een proefwerkstuk konden maken en de titel ‘gediplomeerd autogeen lasscher’ mochten voeren. Het eerste serieuze begin van onze lasopleidingen was een feit. Het eerste leerplan voor ‘onderwijs in smeltlasschen en snijden op ambachtsscholen en middelbaar technische scholen’ dateert van 1930. Detail: tot in 1934 werden er nog examens gemaakt met zowel blanke als beklede draad elektroden.

 

Onheil is gesticht

Op 7 januari 1933 werd naast de NAV de Vereniging voor Laschtechniek (VVL) opgericht. Onder de veelz eggende kop ‘Het onheil is gesticht’ wordt dit bericht in De Autogene en Electrische Smeltlasch gebracht. Deze tegenstellingen duren gelukkig niet lang, zodat een jaar later in datzelfde blad melding wordt gemaakt van plannen om te komen tot één vereniging. Op 28 september 1934 kwam uiteindelijk de fusie tot stand en was de Nederlandse Vereniging voor Lastechniek (NVL) een feit. Het secretariaat zetelde toen aan de Stadhouderslaan 102 in Den Haag.

 

De periode na 1934

In 1936 meldt Philips de eerste elektrode met zelflossende slak (Philips 46). In 1937 wordt het onderpoeder lassen in Nederland geïntroduceerd. De NVL meldt in 1938 de uitgifte van het 250ste laschdiploma. Al in 1938 wordt melding gemaakt van pogingen om de ‘laschbaarheid’ van St 52 te verbeteren. Eerste verschijnselen van hoge sterkte staal…? In 1939 vind bij de Kon. Mij De Schelde in Vlissingende kiellegging plaats van bouwnummer 214 - de latere legendarische walvisvaarder Willem Ruys - waarbij de ‘bekleede electrode’ in de kielsectie wordt toegepast. In 1940 melden bronnen in Amerika de ontdekking van het TIG-lassen. In 1945 kwam dit proces als ‘heliarc’ ook naar ons land. Na de problemen met de Liberty schepen in de TweedeWereldoorlog, werd reeds in 1943 de ‘brossebreuk commissie’ opgericht. In 1948 werd het Lastechnisch Bureau van de NVL opgezet, waarmee het ook mogelijk werd lastechnische adviezen aan de industrie te geven.

 

International Institute of Welding

In 1946 installeert de NVL een commissie voor het tot stand brengen van internationale contacten op lasgebied, een uiterst belangrijke stap die een paar jaar later leidde tot de oprichting van het International Institute of Welding IIW. Prof. Ir. H. E. Jaeger zag in die tijd kans om samen met de Belg Goldschmidt, beide dus kleine landen vertegenwoordigend, op 9 Juli 1948 het International Institute of Welding te stichten. Dit was een krachttoer als men bedenkt dat in die jaren een felle controverse tussen Frankrijk en Engeland bestond en Amerika niets voelde voor een internationale organisatie op lasgebied, waarvan alle industrielanden lid konden worden, ongeacht tot welk economisch of politiek blok ze behoorden. Het IIW heeft prof. Jaeger daarvoor geëerd met de titel ‘founder vice-president’.

 

Stichting Centrum voor Lastechniek

In 1954 wordt de introductie van gevulde draden gemeld. In 1959 volgde de komst van gasloze draad, waarbij de bescherming van de boog en het smeltbad uitsluitend wordt verzorgd door de stoffen die in de kern van de draad zitten. Smit Nijmegen introduceert het lassen op glastape. Langzaam aan wordt men kosten bewust en neemt de bereidheid van de industrie toe om gezamenlijke onderzoeksprojecten op te zetten. Ook begint men in te zien dat voor een optimale gelaste constructie, specifiek lastechnisch geconstrueerd moet worden, en dat het mogelijk moet zijn dat men daarin wordt opgeleid. Een en ander leidde in 1955 tot de oprichting van de Stichting Centrum voor Lastechniek NVLTNO. In 1955 had de NVL maar liefst 7000 leden. Een schril contrast met het aantal van vandaag de dag: slechts 1400 (bedrijfsdeelnemers én persoonlijke deelnemers).

 

CO2-lassen

Werd tot dusver steeds MIG gelast, in 1956 vond de Nederlander Van der Willigen het lassen onder CO2 als beschermgas uit. De beschikbare lasprocessen en -varianten breidden zich uit. De Amerikaanse literatuur vermeldt in 1957 onder andere de uitvinding van het plasmalassen door Robert F. Cage. Het CO-lassen moest zijn weg in de industrie nog vinden. In 1964 werd slechts twee procent van alle neergesmolten lasmetaal CO2 gelast. In 1982 lag de zogenaamde mechaniseringsgraad nog altijd maar op ongeveer dertig procent (MIG/MAG en OP samen). In de huidige eeuw is deze verhouding echter zeer sterk veranderd, zelfs geheel omgekeerd. De industrie begon in die tijd ook belangstelling te krijgen voor overzichten van beschikbare producten op de markt. In 1959 werd daarom de eerste Nederlandse lasbeurs Lastu ‘59 gehouden, die een groot succes werd. Maar al snel moest de beurs het afleggen tegen andere initiatieven, zoals de Techni Show. Onderlinge verdeeldheid onder de exposanten was hier mogelijk eveneens debet aan.

 

Nederlands Instituut voor Lastechniek

In 1966 fuseert het Lastechnisch Bureau van de NVL met de NVL tot de huidige Stichting Nederlands Instituut voor Lastechniek. Mede als gevolg van deze fusie ontstond één instituut met een stevige verankering in de Nederlandse industrie. Dat manifesteerde zich onder meer in het eerste onderzoeksproject Neptunus, dat in 1976 van de grond kwam. Het NIL bleek als onafhankelijke, neutrale organisatie in staat te zijn om alle partijen bijeen te brengen die belang hadden bij grootschalig onderzoek, om zo optimaal gebruik te kunnen maken van fondsen die de overheid beschikbaar stelde. Met Neptunus was 3 miljoen gulden gemoeid. In de meer dan dertig jaar dat het NIL actief is in lasonderzoek- vanaf 1992 als Projectbureau voor onderzoek aan Materialen en Productiemiddelen (PMP)- zijn maar liefst zo’n 175 grote en kleine projecten afgerond. Het totale bedrag dat daarmee gemoeid is, bedraagt naar schatting meer dan 25 miljoen euro. Vele honderden bedrijven deden in de loop der jaren mee. De meest in het oog springende projecten waren wellicht het MIG/MAG-project (tot 1986) en het project Robotlassen (tot 1987). Ook Reparatielassen en, recenter, Lassen van Dunne Plaat waren zeer succesvolle projecten, met veel daaruit voortvloeiende toepasbare kennis voor de industrie.

 

Stroombronnen nieuwe stijl

In 1987 introduceerde Lincoln het eerste werkende STT-lasapparaat. Een uitzonderlijke procescontrole zorgde daarbij voor een zeer stabiele boog, ook bij lage stroomsterkten. Dit was feitelijk de eerste stroombron nieuwe stijl, waarbij zinvol gebruik werd gemaakt van de mogelijkheden van de vermogenselektronica en de inmiddels uitgebreide theoretische kennis van het lasproces. Eerder waren er al vergelijkbare ontwikkelingen geweest bij de eenvoudige stroombronnen voor het booglassen met beklede elektroden, waarbij de boogbeheersing minder kritisch was dan bij het MIG- en het MAG-lassen. Daar zette de miniaturisering rond 1980 al in door inverter-stroombronnen op de markt te brengen die 300 A lasstroom konden leveren, maar slechts 35 kg zwaar waren (PowPack). In navolging van de eerder geïntroduceerde STT werd pas op 16 en 17 september 2004 het Cold MetalTransfer (CMT) als MAG-variant door Fronius geïntroduceerd. Later, tijdens de beurs Schweissen und Schneiden, bracht ook EWM een dergelijke procesvariant op de markt: ColdArc. Deze machines maakten het ondermeer mogelijk om de aloude techniek van het boogsolderen nieuw leven in te blazen. De perfecte beheersing van de fysische verschijnselen in de elektrische boog, maken een stabiele materiaalovergang ook mogelijk bij toepassing van koperlegeringen als toevoegmateriaal.

 

Europese normcommissie

In 1987 wordt de Europese normcommissie CEN/TC121 Welding geactiveerd, als gevolg van de wens van de Europese Unie om de grenzen voor personen- en goederenverkeer open te stellen. Deze commissie krijgt de opdracht van de Europese Commissie om een compleet systeem van normen voor de lastechniek te ontwerpen. De normcommissie, waarin Nederland vanaf het begin vertegenwoordigd is geweest, maakt in korte tijd een eerste blauwdruk, waarmee het werken over de grenzen mogelijk werd. Later gaat het werk meer en meer over naar het mondiale platform ISO. Ook hierin doet Nederland actief mee. In 2008 wordt een nieuwe versie van de EN 1090 normenserie voor de staal- en aluminium constructiewereld aangekondigd. Naar verwachting zal daardoor een toenemende interesse ontstaan voor de toepassing van de EN ISO 3834-serie die de kwaliteitsborging in de lastechniek reglementeert. Ook het begrip ‘lascoördinatie’, dat hierin is opgenomen, begint inmiddels ingeburgerd te raken. Steeds meer bedrijven zien de noodzaak, maar belangrijker nog, het nut in van een dergelijke functie in het bedrijf. Het NIL is in deze elementen zeer actief door het doen opleiden, examineren en certificeren van laskaderpersoneel- de potentiële lascoördinatoren - en het certificeren van bedrijven volgens de eisen van de IIW-EN-ISO-3834, waarvoor het NIL als ANBCC is geaccrediteerd.

 

European Welding Federation

Tot 1991 bestond er ook een samenwerkingsverband van de Europese Lasinstituten, de European Council for Cooperation in Welding (ECCW). In die periode waren de activiteiten rond een uniforme normering in Europa in volle gang. Men besloot een poging te doen om de opleidingen in Europa, net als de normen, te harmoniseren. De ECCW werd in 1991 omgedoopt tot European Welding Federation, later European Federation for Welding, Joining and Cutting (EWF). Dit resulteerde in de daaropvolgende jaren in het ontstaan van de onderwijsstructuur zoals we die vandaag nog altijd kennen. In 1992 waren alle kaderopleidingen in ons land onder de EWF-structuur gebracht, was NIL door EWF geaccrediteerd als Authorized National Body (ANB) en werden onder dit schema de eerste kaderdiploma’s uitgegeven. In 2002 is het grootste deel van de opleidingen overgedragen aan het IIW, waarmee de tot dan toe Europese structuur ineens een mondiale werd. Een beperkt deel van de opleidingen bleef onder de EWF vlag, omdat de mondiale belangen nu eenmaal anders zijn dan de Europese. Denk maar aan de Europese richtlijnen. In 2004 worden ook de lassersopleidingen ondergebracht bij het IIW.

 

NIL online

Eind 1994 staan de eerste pagina’s van het NIL op internet (www.nil.nl). Inmiddels is internet niet meer weg te denken in onze maatschappij, maar in 1994 was dit een nog erg jong en broos medium. De NILwebsite is uitgegroeid tot een bron van informatie voor meer dan 1.000 bezoekers per dag. De website is in 2009 en  2010 geheel vernieuwd en staat nu klaar om de behoeften van de toekomst te dekken.

 

Veiligheid en gezondheid

Op het gebied van veiligheid, en vooral van gezondheid, is er de laatste jaren het nodige gebeurd. Na uitvoerig TNO-onderzoek stelde de overheid op 1 januari 2003 de MAC-waarde voor lasrook vast op 3,5 mg/m3, wat werd gekwalificeerd als technisch haalbaar. Tegelijkertijd werd aangekondigd dat men op termijn naar de 1 mg/m3 zou gaan, als een zogenaamde gezondheidskundige grenswaarde. In 2006 kwam er een kleine wijziging in de regelgeving; deze wordt aangepast aan het zogenaamde recirculatieverbod. Op 1 januari 2007 werd officieel de zogenaamde grenswaarde van 1 mg/m3 aangekondigd, die op 1 juni 2010 moet worden gehaald. Door overgang van regelgeving, waarbij de MAC-waarde werd vervangen door de grenswaarde, kon men in 2008 beginnen de industrie hier naar toe te begeleiden.

 

Voorlichting

Door de jaren heen heeft het NIL een groot aantal congressen georganiseerd, waaronder een aantal internationale. De belangrijkste zijn: 1986 - Internationaal Congres Duplex Stainless Steel 1988 - Internationaal Congres Life Assessment and Extension 1991 - IIW-jaarvergadering en international congress Welding and Joining 2000. In 2004 werd het eerste NIL-BIL-lassymposium gehouden in het Evoluon in Eindhoven. Het evenement wordt sindsdien jaarlijks om beurten in Nederland en België georganiseerd. In 2009 werd als experiment een zeer geslaagde dag voor jonge "lasprofessionals" gehouden in de Fabrique in Utrecht.

 

Toekomst

Anno 2010 staat het NIL aan het begin van weer een nieuwe uitdaging: er staat een nieuwe generatie klaar, die de vertrekkende babyboom moet gaan opvolgen. Het NIL zal daarop inspelen met nieuw een verbeterde producten, om ook in de toekomst invulling te kunnen geven aan de taken van het instituut.